De hoofdparameter en de meest dominante parasitaire parameter van weerstanden, condensatoren en spoelen zijn eenvoudig met een enkele meting te bepalen. Als men echter een compleet beeld wil hebben van de hoofd- en parasitaire eigenschappen, dan zal een enkele meting niet meer volstaan. In dit geval zullen vele metingen moeten worden verricht over een breed frequentiespectrum.
Aan de hand van het theoretisch model en een reeks metingen kunnen de parameters achterhaald worden.
Het theoretisch model speelt een belangrijke rol bij het meten van de parasitaire parameters. Dit model vertelt hoe de belangrijkste en parasitaire componenten geschakeld zijn. Hiermee is ook bekend hoe de gemeten spanning, stroom, frequentie en fase gerelateerd zijn aan deze parameters. Elke component is te berekenen met behulp van de meetgegevens en een wiskundige beschrijving van het model.
Soms zal echter uit de verwerking van de meetgegevens blijken dat het theoretisch model de werkelijkheid niet afdoende beschrijft. In dat geval zal een verfijnd model toegepast moeten worden.
Fig. 1: Meetopstelling: impedantie karakteristiek.
De te meten component, hier aangeduid met Zx, wordt aangesloten op een functiegenerator. De probe voor de spanningsmeting wordt zo dicht mogelijk bij het component aangesloten, en de stroomprobe wordt over de aansluitdraad van het component geplaatst.
De functiegenerator moet een sinusspanning leveren met maximale amplitude (10 Vtt). De koppeling van beide oscilloscoopkanalen wordt in de AC stand gezet.
Bij het meten van elco's is het van belang dat de spanning hierover nooit negatief wordt. Dit kan worden voorkomen door op de functiegenerator een offset in te stellen.
De meetcyclus bestaat uit vele afzonderlijke metingen bij verschillende frequenties.
De functiegenerator wordt eerst op een lage frequentie ingesteld. Hierbij wordt frequentie, fase, spanning en stroom gemeten en genoteerd. Vervolgens wordt de frequentie verhoogd en opnieuw gemeten en de waarden genoteerd. De frequentie kan bijvoorbeeld in 1-2-5 stappen worden verhoogd.
Fig. 2: Momentopname van het oscilloscoopscherm tijdens één van de vele metingen.
De verkregen meetgegevens worden gebruikt om de parasitaire eigenschappen te achterhalen. Hoe deze data wordt verwerkt staat beschreven in de hieronder volgende voorbeelden. In elk van de voorbeelden is een wat andere methode beschreven om meerdere opties te laten zien.
De karakteristieken in de voorbeelden die hier onder beschreven worden zijn opgenomen met een automatisch meetsysteem dat in het artikel Geautomatiseerde meetsystemen wordt beschreven.
Fig. 4: De vectoren.
Fig. 3: Theoretisch model voor condensatoren.
Een condensator bestaat in principe uit twee geleidende platen gescheiden door een isolator. Dit vormt de capaciteit. De platen hebben door hun lengte een zekere ohmse weerstand en zelfinductie. Deze staan dus in serie met de eigenlijke capaciteit. De ohmse weerstand en zelfinductie is zeer afhankelijk van de opbouw. Ook het diëlectricum kan een belangrijke rol spelen, en komt naar voren als een frequentie afhankelijke ohmse weerstand. Bij elco's speelt het elektrolyt ook nog een belangrijke rol in de vorm van een ohmse weerstand.
Fig. 5: Impedantie en fase karakteristiek van condensatoren.
Hiernaast is een theoretisch voorbeeld van een impedantie- en fasekarakteristiek weergegeven. In deze curves zijn duidelijk de invloeden van de hoofd en parasitaire parameters te zien.
Bij zeer lage frequenties spelen de ohmse weerstand en zelfinductie geen rol. De reactantie van de capaciteit is hier relatief hoog en de faseverschuiving is hier -90°. Wordt de frequentie hoger dan gaat de ohmse weerstand en zelfinductie een rol spelen.
Bij een zekere frequentie wordt de resonantie frequentie bereikt. De impedantie is hier gelijk aan de ohmse weerstand en de faseverschuiving is hier 0°.
Wordt de frequentie nog verder verhoogt dan heeft de capaciteit steeds minder invloed. Ten slotte, bij zeer hoge frequenties, is alleen de zelfinductie nog van invloed op de impedantie. De faseverschuiving nadert hier +90°.
Gemeten is aan een elco 33 µF 63 V. Hieronder de tabel met de gemeten frequentie, fase, spanning en stroom.
Deze data is met een geautomatiseerde meetopstelling verkregen. Hier volgt een uiteenzetting hoe de data met behulp van mathcad is verwerkt.
| frequentie | fase | spanning | stroom |
| (Hz) | (°) | (V) | (A) |
| 10.0 | -90.9266 | 6.140 | 0.0127 |
| 20.0 | -89.4497 | 6.660 | 0.0274 |
| 50.0 | -89.0844 | 6.210 | 0.0629 |
| 100.0 | -89.4345 | 4.890 | 0.0977 |
| 200.0 | -89.4345 | 3.120 | 0.1229 |
| 500.0 | -89.4345 | 1.370 | 0.1352 |
| 1000.0 | -89.4345 | 0.730 | 0.1376 |
| 2000.0 | -89.4345 | 0.410 | 0.1378 |
| 5000.0 | -60.0820 | 0.171 | 0.1373 |
| 10000.0 | -43.4607 | 0.112 | 0.1373 |
| 20000.0 | -26.3143 | 0.090 | 0.1377 |
| 50000.0 | -11.2020 | 0.080 | 0.1382 |
| 100000.0 | -2.4750 | 0.078 | 0.1391 |
| 200000.0 | 8.6490 | 0.077 | 0.1393 |
| 500000.0 | 17.0520 | 0.081 | 0.1383 |
| 1000000.0 | 37.5790 | 0.092 | 0.1389 |
| 2000000.0 | 65.7100 | 0.132 | 0.1365 |
| 5000000.0 | 95.1720 | 0.283 | 0.1305 |
| 10000000.0 | 124.4520 | 0.537 | 0.1233 |
| 20000000.0 | 167.2910 | 1.091 | 0.1255 |
| 50000000.0 | -59.0700 | 2.550 | 0.0720 |
Fig. 6: Impedantie en fase karakteristiek bij drie meetpunten per decade.
In dit voorbeeld valt op dat in het frequentiegebied vanaf 10 MHz de impedantie steiler omhoog loopt dan verwacht. De fase heeft hier een knik omlaag, terwijl verwacht wordt dat deze recht zou moeten lopen.
De eerste meting was verricht bij drie frequenties per decade. Om het gebied na 1 MHz gedetailleerde te bekijken is met 24 meetpunten per frequentie decade gemeten.
Fig. 7: Impedantie en fase karakteristiek, vanaf 1 MHz is met 24 meetpunten per decade gemeten.
Nu is in de fase karakteristiek een klein hobbeltje rond de 40 MHz te zien. Dit wordt nu verder genegeerd.
De berekende reactantie functies van de capaciteit en zelfinductie kunnen samen met de gemeten karakteristiek in een grafiek worden weergegeven. De rode lijn is de reactantie van de capaciteit als functie van de frequentie, en de blauwe lijn is die van de zelfinductie. Hier is te zien dat deze mooi samenvallen.
Fig. 8: Impedantie karakteristiek met hierin de reactantie van de zelfinductie (rood), en de reactantie van de capaciteit (blauw).
Ten slotte kan de frequentie afhankelijke ohmse weerstand berekend worden. Bij lage en hoge frequenties is de berekende ohmse weerstand onbetrouwbaar. Meetfouten hebben een grote invloed in deze delen.
Fig. 9: Ohmse weerstand als functie van de frequentie.
Verwacht wordt dat de ohmse weerstand juist zou toenemen bij hogere frequenties. De curve laat het omgekeerde zien. Er moet nog bekeken worden of dit berust op meetfouten of dat dit werkelijk zo is.
Fig. 11: De vectoren.
Fig. 10: Theoretisch model voor spoelen en weerstanden.
Spoelen en weerstanden zijn vergelijkbaar opgebouwd. Ze bestaan uit een lengte draad die om een lichaam is gewikkeld. Dit is de zelfinductie. De lengte draad heeft een zekere ohmse weerstand. Omdat dit de eigenlijke draad is waaruit de spoel ontstaan, staan de ohmse weerstand en zelfinductie in serie. Elke winding ligt naast een andere winding. Dit is te beschouwen als twee geleiders gescheiden door een isolator, een capaciteit dus. Deze capaciteit staat parallel over de serieschakeling van zelfinductie en ohmse weerstand. In de kern van spoelen zullen verliezen ontstaan door hysterese en wervelstromen. De wervelstromen komen ook voor in de wikkeldraad. Deze zijn frequentie afhankelijk en worden teruggezien als een ohmse weerstand.
Fig. 12: Impedantie en fase karakteristiek van spoelen en weerstanden.
Hiernaast is een theoretisch voorbeeld van een impedantie- en fasekarakteristiek weergegeven. In deze curves zijn duidelijk de invloeden van de hoofd en parasitaire parameters te zien.
Bij zeer lage frequenties spelen de zelfinductie en capaciteit geen rol. Hier is de impedantie overheersend ohms. Bij wat hogere frequenties gaat het horizontale deel vloeiend over in een oplopend deel. Hier is de impedantie zuiver inductief. Rond de overgang ohms/inductief verloopt de fase vloeiend van 0° naar +90°.
Zeer duidelijk is de piek in de impedantiecurve te herkennen. Dit is de resonantiepiek veroorzaakt door de trillingskring bestaande uit het inductieve en capacitieve deel. In de fase karakteristiek is bij de resonantie frequentie een plotselinge fasesprong van +90° naar -90° herkenbaar.
Hierna is de invloed zuiver capacitief herkenbaar aan het aflopende deel van de impedantiecurve.
Hieronder staat de tabel met de meetdata behorend bij de metingen aan een luchtspoel. De spoel bevat 105 windingen verdeeld over 5 lagen en was gewikkeld op een ETD39 wikkellichaam. De ferrietkern is niet aanwezig.
Hier een voorbeeld van de verwerking van meetdata in mathcad welke stap voor stap beschreven worden.
| frequentie | fase | spanning | stroom |
| (Hz) | (°) | (V) | (A) |
| 10.0 | -3.1938 | 0.0301 | 0.1194 |
| 20.0 | -1.2064 | 0.0331 | 0.1324 |
| 50.0 | 0.4807 | 0.0346 | 0.1376 |
| 100.0 | 2.1511 | 0.0354 | 0.1387 |
| 200.0 | 3.4898 | 0.0349 | 0.1393 |
| 500.0 | 10.7471 | 0.0353 | 0.1396 |
| 1000.0 | 16.3008 | 0.0360 | 0.1392 |
| 2000.0 | 29.3159 | 0.0395 | 0.1387 |
| 5000.0 | 54.5734 | 0.0583 | 0.1381 |
| 10000.0 | 69.8501 | 0.1000 | 0.1380 |
| 20000.0 | 79.1637 | 0.1910 | 0.1383 |
| 50000.0 | 85.2970 | 0.4715 | 0.1384 |
| 100000.0 | 86.8330 | 0.9376 | 0.1381 |
| 200000.0 | 88.7500 | 1.8320 | 0.1341 |
| 500000.0 | 86.8990 | 3.8040 | 0.1105 |
| 1000000.0 | 87.3400 | 5.3660 | 0.0812 |
| 2000000.0 | 90.5830 | 6.4100 | 0.0507 |
| 5000000.0 | 95.6380 | 7.3510 | 0.0106 |
| 10000000.0 | 104.8210 | 7.7430 | 0.0044 |
| 20000000.0 | 23.1110 | 7.6840 | 0.0132 |
| 50000000.0 | 148.4500 | 7.4440 | 0.0436 |
Door de impedantie en fase gegevens grafisch in een grafiek weer te geven kan de meetdata eenvoudig op betrouwbaarheid worden onderzocht. Gebruik voor de reactantie een log-log schaalverdeling en voor de fase een lin-log schaal.
In dit voorbeeld loopt de impedantie curve regelmatigheden tot 1 MHz. Maar vanaf 2 MHz loopt de curve met een knik naar het resonantiepunt op 10 MHz. Dit verloop is niet echt vloeien. In de fasecurve lijkt het punt op 500 Hz wat af te wijken. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat er wat ruis op het signaal zit en daardoor de fase niet helemaal correct wordt gemeten. Belangrijker is echter de fasesprong tussen 10 en 20 MHz. Normaliter verloopt een fasesprong steiler. Het deel voor de fasesprong verloopt aflopend, wat normaliter recht verloopt.
Het gebied vanaf 1 MHz dient gedetailleerde bekeken te worden. Dat betekend dus dat hier aanvullende metingen moeten worden verricht om de hiaten tussen meetpunten op te vullen.
Fig. 13: Impedantie en fase karakteristiek bij drie meetpunten per decade.
De eerste meting was verricht bij drie frequenties per decade. Om het gebied na 1 MHz gedetailleerde te bekijken is met 6 meetpunten per frequentie decade gemeten. De onregelmatigheden werden hier alleen maar meer en groter. Een meting met 12 metingen per decade was nog steeds niet afdoende. Pas bij 24 metingen per decade leverde dit een betrouwbaar resultaat op. Ter vergelijking staat de eerste meetcurve in blauw nog eens weergegeven. Te zien is waar de eerste meetpunten overeenkomen met de gedetailleerde meting.
Er zijn niet één, maar drie duidelijke resonantiefrequenties aanwezig rond de 10 MHz en een kleinere bij 40 MHz.
Fig. 14: Impedantie en fase karakteristiek waarbij vanaf 1 MHz met 24 meetpunten per decade is gemeten. Ter vergelijking de blauwe lijn is de meting bij drie meetpunten per decade.
Als de meetapparatuur niet automatisch maar met de hand bedient moet worden zijn 24 metingen per decade erg veel. Door de nieuwe meetfrequenties slim, waar onregelmatigheden gevonden worden, te kiezen kan het aantal metingen worden gereduceerd.
De spanningsprobe die gebruikt is stond parallel aan de spoel en dus de parasitaire capaciteit. Deze moet er nog van af worden getrokken. De probe capaciteit is 12 pF. De parasitaire capaciteit is dan: 19,1 pF - 12 pF = 7,1 pF. Deze waarde is onverwacht laag. Meer hierover onder het kopje "Verfijnd model"
Zojuist is de statische zelfinductie en ohmse weerstand bij één bepaalde frequentie berekend. Deze parameters kunnen ook als functie van de frequentie berekend worden.
Fig. 15: Vectoren behorend bij de berekeningen. Beide diagrammen zijn hetzelfde, waarbij de linker gekanteld is om de stroom door de RL tak te berekenen.
Fig. 16: Ohmse weerstand en zelfinductie als functie van de frequentie.
De ohmse weerstand is redelijk constant tot 20 kHz, daar boven loopt deze snel op. Dit is hetgeen verwacht wordt en veroorzaakt wordt door het skin-effect. Het niet vloeiend verlopen van de curve vanaf ongeveer 100 kHz verraad al dat de waarden met een korreltje zout moeten worden genomen.
Daaronder staat de frequentieafhankelijke zelfinductie weergegeven. Het gebied voor 1 kHz is onrustig. Dit wordt veroorzaakt doordat de fase hier heel dicht bij de 0° ligt en kleine meetfouten grote invloed hebben. In het hogere frequentie gebied speelt de onjuistheid van het model een grote rol.
De betrouwbaarheid van deze waarden zijn sterk afhankelijk van eventuele meetfouten en de correctheid van het model.
Zoals al eerder vermeld is de zojuist berekende capaciteit van de spoel is bedenkelijk laag. En de meervoudige resonantie pieken zijn hierboven genegeerd.
Het hierboven gebruikte model voldoet niet bij hogere frequenties.
Nader beschouwd bestaat een spoel uit zeer veel in serie geschakelde spoelen met elk hun parasitaire componenten. Op winding niveau bekeken zien we een spoel bestaande uit een enkele winding die een zekere zelfinductie en ohmse weerstand heeft. Elke winding ligt naast een andere winding die onderling een zekere capaciteit hebben. Hieronder is dit schematisch voorgesteld.
Fig. 17: Spoelmodel als transmissielijn voor een enkellaags spoel.
Dit lijkt zeer veel op het model van een transmissielijn. Anders dan een normale transmissielijn is dat het hier echte windingen betreft. Een winding is magnetisch gekoppeld met andere windingen in de nabijheid. Dit geheel vormt een zeer complexe transformator.
Als een spoel uit meerdere lagen bestaat hebben boven elkaar gelegen windingen ook nog een zekere capaciteit. En ook hier is weer een magnetische koppeling aanwezig.
Fig. 18: Spoelmodel als transmissielijn voor een meerlaags spoel.
Een goede wiskundige beschrijving van een spoel die het bovenstaande beschrijft is nog niet opgesteld.
Alle teksten en afbeeldingen op deze site, met uitzondering deze op de nieuws- & opiniepagina's, zijn het intellectuele eigendom van Freddy Alferink. || Wijzigingen van artikelen staan vermeld op de updatepagina. || Voor vragen of opmerkingen: maak gebruik van het formulier op de contactpagina.